Op 23 maart 2019 voerde ik samen met een aantal vrijwilligers een archeologisch noodonderzoek uit bij een Flak-stelling in Arnhem. Hier waren diepe roofgaten gespit door detectorzoekers waarbij her en der historisch materiaal en afval zoals blikjes was achtergelaten. Onder leiding van mijzelf en twee andere archeologen en met toestemming namen wij de verantwoordelijkheid om dit materiaal en de nog aanwezige sporen in het landschap archeologisch te registeren. Bijzonder is vooral de vondst die een directe link heeft met de Nachtjagd en Fliegerhorst Deelen. Nu, een maand later, kan ik de volgende resultaten delen.

De locatie
Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag er op deze locatie een zogeheten Flak-stelling. Deze door de Duitsers gebouwde stellingen voor luchtdoelartillerie duidden zij aan met Flakartillerie of kortweg Flak (afkorting voor Fliegerabwehrkanone). Het doel van een dergelijke stelling was de luchtverdediging (luchtafweer) tegen vijandelijke (geallieerde) toestellen, zowel hoog vliegende bommenwerpers als lage jagers, zowel overdag als ’s nachts.
Een Flak-stelling bestond naast een batterij van vijf of zes stukken geschut van een zwaar kaliber en geschut van een lichter kaliber uit diverse barakken en andere gebouwen. Hier waren onderkomens, keuken, garage, verbinding, administratie, meetapparatuur, enzovoorts ingericht. De graafgaten en dus de locatie van ons noodonderzoek was binnen een voormalige barak en buiten de locaties van het geschut of de munitieopslag.
Fliegerhorst Deelen en Diogenes
De vindplaats is gelegen in de gemeente Arnhem en nabij de voormalige Duitse vliegbasis Fliegerhorst Deelen. In oktober 1943 (nagenoeg gelijk met de bouw van de Flak-stelling) werd de Divisiongefechtsstand in de monumentale gevechtsleidingsbunker Diogenes operationeel. Vanuit hier werd al het eigen en vijandelijk vliegverkeer in de gaten gehouden en geleid ten behoeve van de luchtverdediging van de sector Holland-Ruhrgebiet (1. Nachtjagddivision, later 3. Jagddivision). De Flak-stelling maakt dus deel uit van een bijzonder ensemble: de Luftwaffe op de Veluwe.
Het archeologisch onderzoek

Impressie van het veldonderzoek in maart 2019. Vondstmateriaal is verzameld, geteld en grond is gezeefd (rechterfoto: Ruurd Kok).
Bodemopbouw
Op luchtfoto’s uit de oorlog zijn op de locatie van het noodonderzoek enkele rechthoekige gebouwen te zien, waarschijnlijk houten barakken (zie de foto hieronder). Deze barakken waren meestal gedeeltelijk verdiept aangelegd. De vrijgekomen grond uit dit gat is daarna gebruikt om een aarden wal om de barak aan te brengen. In sommige gevallen was deze wal nog versterkt met een Duitse vorm van gasbeton: Formstein. De wal moest bescherming bieden tegen scherfwerking van inslaande bommen of granaten. De Duitsers noemden dit Splittermauer of Splitterschützwänden.
Op basis van metingen in GIS was de barak 10-12 x 7 meter. De binnenzijde van de scherfvrije wal eromheen was circa 16 x 12 meter. Dit reliëf is in het landschap nog goed zichtbaar. Zie hiervoor de twee kaartjes hieronder.
Voor de bodemopbouw zijn op verschillende plekken profielen geregistreerd. Deels zijn hier de gaten van de detectorzoekers voor gebruikt. Vanaf het maaiveld (deels recentelijk verstoord) bevindt zich een grijsbruin gevlekt ophogingspakket gevuld met vondstmateriaal. Deze loopt door tot 80 cm beneden maaiveld. Hieronder ligt de natuurlijke ondergrond: het grove en matig grindhoudende, gele zand van de sandr (Formatie van Drenthe). Op deze plek zijn geen (resten van) funderingen gezien. Deze zijn waarschijnlijk met de sloop na de oorlog dus verwijderd. (Het restant van) de Duitse ingraving uit het najaar van 1943 is hier dus 80 cm diep.


Vondsten
Het grootste deel van het noodonderzoek bestond uit het registreren van het op maaiveld en in en om de detectorkuilen achtergelaten materiaal. Tevens is de ‘stort’ van de detectorzoekers gezeefd. Er zijn geen nieuwe gaten gegraven. Er is geen metaaldetector gebruikt.
Bureau-artikelen
Met name in het zuidelijk deel van het spoor lag een groot cluster met restanten van ordners. In totaal werden dertien restanten van het ringbandmechaniek en vijf ijzeren “binnenstaven” van de mappen zelf geteld. Het grote aantal doet sterk vermoeden dat het hier om een deel van de administratie van de Flak-stelling gaat. Een gummetje en een luxe glazen inkpothouder horen ook binnen deze categorie. De vondsten maken in één oogopslag helder dat in een dergelijke Duitse stelling (primair bedoeld voor het uitschakelen van bommenwerpers op grote hoogte) ook andere dagelijkse taken werden uitgevoerd.

Glas
Van de scherven glas kunnen er 269 worden geschaard onder flessen of potten (71 andere scherven waren van vensterglas). Gezien zijn (fragmenten van) flessen bier, wijn, limonade en sterke drank. Hieronder waren een rechthoekige, donkergroene fles (Aromatic Schnapps van de Schiedamse distillateur J.J. Melchers) en een donkergroene bierfles (Heineken’s). Ook potten voor weck en jam zijn achtergelaten. Uit de codes op de flesbodems en -halzen kon worden geconcludeerd dat de Nederlandse producenten een groter aandeel hadden dan de Duitse. Dit is interessant, omdat de producten met het DIN-kenmerk (in Duitsland geproduceerd) ook via de civiele markt in Nederland kunnen zijn gekocht, maar het minder voor de hand ligt dat producten van “Nederlandsch Fabrikaat” uit Duitsland zijn meegenomen. Zowel Heineken als Melchers kenden voor de oorlog al een wijde export en kunnen dus zowel in Duitsland als in Nederland zijn gekocht. Ook hier waren luxeartikelen waaronder resten van wijnglazen, deels van uraniumglas. Dit materiaal bevat een (ongevaarlijk) laag percentage uranium, wat de fluorescerende kleur verklaart. Het werd tussen circa 1910 en 1940 voornamelijk gebruikt in kunst- en luxevoorwerpen. Opvallend, in een Flak-stelling.



Tekening
De meest in het oog springende vondst is een onregelmatig, rechthoekig stuk doorzichtig plastic, gebroken in twee delen. Het stuk bevat een tekening van een wapen (embleem). De lijnen zijn gezet met potlood en met behulp van een liniaal, de achtergrond is met een kobaltblauwe en deels zwarte soort waterverf (aquarel) ingekleurd. Het wapen is 9 x 6 cm groot.


De tekening bevat een neerdalende roofvogel met bliksemschicht. Dit symbool is algemeen bekend binnen de Nachtjagd, en het komt bij vrijwel elk Nachtjagdgeschwader voor. Deze eenheden waren speciaal opgeleid voor het ’s nachts onderscheppen van Britse bommenwerpers. De staf van het 1. Nachtjagdgeschwader (1. N.J.G.) bevond zich vanaf de zomer van 1940 op Deelen. Wolfgang Falck was hier lange tijd als de Geschwaderkommodore (commandant) betrokken bij de ontwikkeling van de Nachtjagd. Fliegerhorst Deelen wordt als gevolg gezien als de “wieg van de Nachtjagd”. De op het embleem voorkomende vogel is dan ook een neerdalende valk (naar commandant Falck), en geen adelaar.
Het gevonden exemplaar verschilt in details met het (algemene) embleem van het 1. N.J.G. Onderaan kruisen twee stralen elkaar diagonaal. Ze lopen van onderaf smal naar breed en stellen de felle lichtbundels van zoeklichten voor. Het is evident dat het kunstwerk is vervaardigd door iemand die verbonden was aan een Flakscheinwerfer-eenheid. Waarschijnlijk waren deze dus aanwezig in deze Arnhemse Flak-stelling. Dit is nieuwe informatie.
De functie van het rechthoekige stuk plastic is echter niet geheel duidelijk. Mogelijk kon het geplaatst worden voor het licht van een lamp, zodat het wapen oplichtte. Het feit dat het object in de Flak-stelling is aangetroffen, bezegelt de verbinding die de vindplaats moet hebben gehad met de Nachtjagd en Fliegerhorst Deelen: thuis van de staf van het 1. Nachtjagdgeschwader.
Een stukje deels verbrand papier (circa 4 x 3 cm) bevat kleine fragmentjes van meerdere pagina’s over elkaar heen. De tekst is Duits en in Fraktur-lettertype. Omdat er enkel losse woorden te lezen zijn en geen volzinnen, kan helaas niet achterhaald worden om wat voor tekst het gaat. Het soort woorden (“Gott… Märchen…”) maakt het echter aannemelijk dat het om een boek gaat (religieus, poëtisch, roman) en sluit uit dat het om een militair voorschrift of een getypt stuk administratie handelt.

Militaire uitrusting
Van het grote aantal resten van Duitse, militaire uitrusting wordt hier slechts een klein deel besproken en getoond. Gezien zijn delen van meerdere gasmaskers, uniformknopen, knoopjes van uitrusting, gespjes, enzovoorts.
Interessant zijn drie gevonden aluminium tubes die door de Wehrmacht zijn uitgegeven. Twee ervan bevatten “Alkalische Augensalbe” en was “nur für Kampfstoffverletzte” bedoeld. Een rode tube bevatte “Fussschweissalbe”. Alle tubes vermelden dat het de bedoeling was om (wanneer ze leeg waren) ingeleverd dienden te worden: een van de maatregelen om grondstoffen in te zamelen vanwege het steeds nijpender wordend gebrek aan allerlei materialen. Op dit soort tubes staat meestal aangegeven door welk verzorgingscomplex ze zijn uitgegeven. De verzorging had als doel om de front- of andere troepen te bevoorraden met munitie maar ook uitrusting en medisch materiaal. Beide oogzalf-tubes waren uitgegeven door het Wehrkreissanitätspark X Hamburg. De zalf tegen zweetvoeten was uitgegeven door het Luftgau – Sanitätspark Belgien – Nordfrankreich. Deze was (totdat het westfront in 1944 dwong tot ontruiming en verplaatsing) in Brussel gevestigd. Laatstgenoemde medisch verzorgingscentrum was specifiek bedoeld voor de luchtmacht, terwijl de andere twee uit een algemeen Wehrmacht-complex kwamen. De tubes geven een (hele kleine) inkijk in vanuit welke Wehrmacht-verzorgingscomplexen de (Luftwaffe) Flak-stelling werd bevoorraad.



Market Garden
Een stalen gesp is afkomstig van een Britse parachute die mogelijk gebruikt is bij de bevoorrading van de 1st British Airborne Division. Zij bevonden zich tijdens de Slag om Arnhem (Operation ‘Market Garden’) in september 1944 enige kilometers zuidelijk van de vondstlocatie. Bekend is dat bij hun bevoorradingen ook veel materiaal in Duitse handen viel.
Even verderop, maar buiten het besproken spoor, werd een achtergelaten stalen, cilindervormig brandstofvat van Britse productie gevonden. Dit type van de War Department werd per vier in een langwerpige container aan een parachute afgeworpen tijdens de geallieerde luchtlandingsoperatie. De container past in hetzelfde verhaal als de parachutegesp. Beide objecten hebben waarschijnlijk een directe binding met ‘Market Garden’ en het in Duitse handen gevallen en gebruikte materiaal, ook binnen de Flak-stelling.



Evaluatie… hoe nu verder?
Naast de resultaten van sporen en vondsten (inhoudelijke informatie), kent het project enkele knelpunten, waar voor de toekomst lering uit getrokken kan worden. Deze tekst heb ik samen met Dwayne Beckers en Nick Warmerdam opgesteld.
Het noodonderzoek
De locatie was bezocht door metaaldetectorzoekers waarbij grote en diepe gaten waren gegraven en vanzelfsprekend vondsten zijn verdwenen. Ondanks dit feit kan worden geconcludeerd dat:
- de bodemopbouw in de diepere ondergrond van een groot spoor nog intact kan zijn en dus nog informatie kan geven;
- er materiaal aanwezig is van de gebruikers van de stelling – zowel militaire uitrusting als civiel materiaal;
- er uit het nog achtergebleven materiaal statistische gegevens kunnen worden gehaald;
- er zowel sporen als vondsten aanwezig kunnen zijn die informatie geven over hoe de stelling is verlaten;
- er unieke en handgemaakte voorwerpen kunnen worden aangetroffen die informatie geven over de persoonlijke levenssfeer en de hier gelegen eenheden tijdens de bezetting van een bepaalde verblijfplaats.
En, misschien wel het allerbelangrijkst, kan tot slot worden geconcludeerd dat het mogelijk is om op zeer korte termijn een groep enthousiaste mensen bij elkaar te krijgen om een dergelijk initiatief uit te voeren.

Het noodonderzoek en wetgeving in Nederland
De meest belangrijke constatering van dit onderzoek is dat er binnen de huidige wetgeving (AMZ-cyclus)(1) geen plaats is voor dergelijk onderzoek. Het valt tussen wal en schip.
Zowel tijdens grondroerende werkzaamheden ten behoeve van projectrealisatie als bij het graven van grote gaten door zoekers vindt er aanzienlijke verstoring plaats. Ter voorkoming van onomkeerbare verstoring in het eerste geval zijn er wettelijke maatregelen van kracht in de vorm van preventief archeologisch onderzoek (het “de verstoorder betaalt”-principe), Terwijl wetgeving in het tweede geval vaak lastig toepasbaar en te handhaven is.
In AMZ-definitie wordt deze vindplaats dan ook niet bedreigd want de grond wordt niet verstoord door bijvoorbeeld een projectontwikkelaar. Om die reden is er geen budget en dus vindt er geen archeologisch onderzoek plaats. Het is echter een feit dat de vindplaats in ieder geval al twintig jaar (en waarschijnlijk al langer) wordt bezocht door detectorzoekers. Zij verstoren de sporen in het landschap en nemen vondsten mee die daardoor uit hun context worden gehaald. Deze personen overtreden de wet, maar handhaving blijft lastig.(2.) Bovendien is er een niet-officiële regel tussen detectorzoekers onderling dat zij (als “ambassadeur van deze mooie hobby”) in ieder geval de gemaakte gaten dichtgooien en afval meenemen.(3.)
De gemeente Arnhem gaf in een reactie aan betrokken te zijn, maar dat ideeën nog niet eerder tot actie hebben geleid. Er wordt in het rapport dan ook voorgesteld om vervolgonderzoek niet meer in een nood-setting plaats te laten vinden, maar met een weloverwogen Plan van Aanpak met vooraf goed doordachte doel-, vraag- en probleemstelling. Alleen zo kunnen we schade en informatieverlies op een welgegronde manier voorkomen of inperken en ontstaat er potentie om nieuwe informatie te verzamelen en het erfgoed gezamenlijk te beschermen en te ontsluiten.
(1). De Archeologische Monumentenzorg (AMZ)-cyclus zijn de wettelijke ‘spelregels’ voor archeologisch onderzoek in Nederland.
(2.) Dit probleem wordt onderkend door medewerkers van Geldersch Landschap & Kasteelen.
(3.) http://www.detectoramateur.nl/detector-amateur/huishoudelijk-reglement, geraadpleegd op 06-04-2019.

Tot slot
In deze blog kon slechts een klein deel van alle resultaten besproken worden. Het complete archeologische rapport is naar terreinbeheerder Geldersch Landschap & Kasteelen en de gemeente Arnhem gestuurd. Hierin staan niet alleen alle sporen en vondsten beschreven. Tevens kan het rapport dienen als gespreksopener hoe om te gaan met een vindplaats uit de Tweede Wereldoorlog die wordt bedreigd door verstoring door detectoramateurs en tegelijkertijd buiten wettelijke (archeologische) bescherming valt en/of waar handhaving in de praktijk lastig blijft.
Het noodonderzoek heeft hier een voorbeeldfunctie op zich genomen. Ondanks alle tekortkomingen dient het als eerste stap in de richting van een meer gereguleerde vorm van ex situ-behoud dat buiten de huidige wetgeving (nog) niet mogelijk bleek.


Geef een reactie op Franckaert Pascal Reactie annuleren